Aanmelden | Contact
Zoeken

Dordrecht - dagboek H.P.A. Gunneweg (1846-1904)


Hermanus Petrus Antonius Gunneweg (Herman), geb. Rotterdam 22-10-1846, verlakker (1879), kunstlakker/teekenaar (o) (bij Metaalwarenfabriek wed. J. Bekkers & Zn tot 28 juli 1900), kunstschilder te Voorburg (1904); lid van Pictura >1884-1904, waarnemend voorzitter Pictura (1900), president van Pictura (eind 1902), secretaris Kunstkring (1901), overl. Den Haag 30-11-1904 (namiddag 5 uur), zoon van Hermanus Gunneweg en Ida Cornelia Sips, tr. Rotterdam 23-4-1873 Anna Maria Carolina Roterman (Caro/Lien(tje)), geb. Dordrecht 19-6-1850, dochter van Johann Theodor of Johannes Theodorus Roterman en Catharina Jacoba Engeringh.
Wonende: Dordrecht E559, Bleekersdijk 28r, Dubbeldamscheweg 10 [huidig nr 12/14], Voorburg Huigensstraat 183 vanaf 13-5-1904;
Inwonend:
- Cornelis Easton, geb. Dordrecht 10-9-1864, onderwijzer
- Hermanus Carolus Marie Gunneweg, geb. Rotterdam 9-4-1885, decorateur, uit Rotterdam 19-10-1900, naar Boskoop 6-6-1902 [zoon van Antonius Hermanus Gunneweg en Antoinetta Alida Theresia Roterman, tr. Rotterdam 1919 Cornelia Maria Antonia Lammerts , geb. Uithuizen]


HERMAN GUNNEWEG DAGBOEK V 1903-1904


Bron: stadsarchief Dordrecht
Toegang: 150
Inventarinsummer: 1093

[20 Augustus 1903] Gisteren avond hebben we een heerlijke wandeling gemaakt naa van Son. Van Hulzen [Gerard van Hulzen (1896-1940)] die bekende schrijver is bij Rompel gelogeerd, is reeds meermalen bij ons geweest. En dan bemerk je de verwantschap van kunstenaars onderling. Erg prettig kan ik met hem opschieten. En ook gisteren avond op de wandeling hadden wij een opgewekt gesprek over alles wat we zagen. Het mooie land waar een eenigzins gevoileerde lucht boven stond, 't droomen in het schermavond uur op reien [rijen] stonden de rogge en korenschoven. Nog even aangetikt door een relfex(ie) licht dat werdt teruggeven van de lucht der nog natrilden en bezwangers was van het lucht der zoo pas ondergegaane zon. Bij van Son was het gezellig. Hij een handende ..aten(?) gelijk los met een hartstocht trillende stem, dat mooie stuk van van Dijssel "Ik houd van proza' enz. Waar hij als het ware de litteraire geloofsbelijdenis neerschrijft, dat was mooi: Het spel van Wilemien als is het niet meer wat jet vroeger was, is toch ook een aantrekkelijkheid om half elf werden we met z'n zessen (Evert Kuipers was er ook bij) in een rijtuig gestopt en ereden we in den donkere nacht naar huis.
[28 Augustus 1903] deze week zijn we de Lagewaard in geweest. Heerlijk een heele langen dag in een schuit gezeten, gelegen, gegeten en altijd maar mooie dingen gezien.
Mooie schuitjes, aardige huisjes, maar alles klein van concepten. Het groote wijde, dat mij het meeste emotioneert is hie rniet. Zulke dagen als jet heel den dag in de natuur bent, doen zoo goed. Het is of je een bad heb genomen in schoonheid en als jet thuis aan het werk ben, maak je mooiere dingen.
[3 October 1903] Met de verkoop gaat het slecht en we denken er hard over om het volgend jaar met Mei b.v. naar Den Haag te gaan wonen. We hebben soms maanden dat we helemaal geen geld hebben. Als er eens geen crediet bestond, dan waren we al lang van den honger omgekomen.
Het zou ons wel spijten Dordt uit te gaan, maar je kunst toch van de wind niet leven.
ooh, over een week heb ik misschien een paar dingen verkocht, en dan is het weer goed voor een korte tijd, maar dat gaat toch op den duur niet.
Vanmiddag gaan we tot maandag avond naar Werkendam. Gelijk met Kees & Betsij.
[8 October 1903] We zijn naar Werkendam geweest en regenen dat het giet, maar het was er o zoo mooi. Hierte(?) van wolken dreven door de lucht, zoo intens grijs. Het steurgat door de noordwesten wind hoop op gezweept, was een breede rivier gelijk; de golven krulde wit van schuim om, en het mooie najaarsriet.
Zweerde al maar onder den druk van den storm, en toen we Maandag middag eg gingen was het een feest van kleine, maar alles in een gamma, grijs, dan kwam en aan den ..(?) een hel gele cheep lucht te verschepen,waar alles diep en krachtig tegen aan stond.
Door dat de Easton's er waren was het prettiger dan anders, maar o hemel wat zijn we dan toch voor menschen geworden, die menschen hebben het allemaal voor zulke kleine dingen altijd over hun eigen en hun eigen belangen. En als je eens een keer het waagt. (ja, god, een menschen die niet enkel zijn we(?)stand getracht, wel toch ook wel eens wat zeggen) om eens wat te zeggen wat niet met beide je handen te grijpen is. Dan zal zoo iemand als Verhoeff, net een gelicht(?) of is wel zeggen "arme tobber wat doe je in de kou". Enfin in het altaar van mijn Lien staat. Neem de menschen als ze zijn. Neem gij zoo je hen Dordt wenschen .. dat is wijs gezegd maar moeielijk te doen.
Van morgen kreeg ik de laatste aflevering van het Jacob Maris werk. Ik las het slot en toen den reus zijn kracht gebust(?) was.
Mooi was dit geschreven. Ik heb geschreid en onder den indruk, die weste(?) stemming heb ik van morgen toen stukjes gemaakt die mij bevallen en Lien ook en dat zegt wat.
[18 October 1903] Wat is het leven vreemd. Van morgen waren we in de kerk, daar werdt een sont van Manifest voorgelezen van een nieuw benoemde bisschop. O zoo slap, je zou zoo zeggen dat ineen tijd als ..(?) het woord van een vorst der kerk, die wil dat heel de kudde gehoorzaam meegaat.
Dat van zoo iemand een krachtig woord zou uitgaan, maar neen hoor, toen dwaalden mijn gedachten af, die ging terug tot de tijd dat ik nog een jongen was, dat ik zondags 's morgens naar Boijmans ging, met Roosenboom, een jongen die ik lief had, zoo als jongens van 12 jaar elkanderen lief kunnen hebben (ik heb nooit meer van hem gehoord. Hij is meen ik naar Brussel gegaan). Hij teekende mooie paarden, naar ik mij herinner. Dan gingen we wandelen. Toen had ik door moeten kunnen gaan, toen, dan was ik wat geworden, maar van af dien tijd tot, nu een paar jaren geleden is mijn aanleg verstikt en nu, is het misschien te laat! Wel zal ik blijven werken als het kan. Zoo lang als ik kan, maar de strijd is zwaar, en met de materieele zorgen er bij, zeer moeielijk maar opgegeven doe ik het niet meer.
Ik blijf schilder, zoolang ik het penseel kan hanteeren, of ik meer bereiken zal, als tot heden, het is best mogelijk van niet, ik ben te onzeker, ik weet niet genoeg als ik een schilderij heb gemaakt, of het nu werkelijk geslaagd is, of niet en dat is zoo lam, dat zal wel aan mijn late ontwikkelig liggen, maar met dat al maakt het de toch al zoo moielijke weg, voor mij nog moeijlijker.

[12 Januari 1904] Ik had veel kunnen opschrijven in dit boek, en ik heb het neit gedaan, de rede weet ik niet. Is het niet opwekkend genoeg, altijd den finantieele bezwaren. Er was toch veel moois ook in de laatste dagen. We zijn naar Vught geweest bij Françoise gelogeerd 10 dagen. Heerlijken dagen, dwaas geweest als kinderen. Zij zijn menschen die veel zorg in hun leven hebben gekend en die schiinen kleijn te zijn. Vreemd het was mooi weer, de hei bruin. Het landschap mooi bruin eikenhout tegen hel groen van het knollenland. Verrukkelijk tijd.
Oud en nieuw jaar bij Easton geweest, ook prettig. Huiselijk, maar ons drukt de zorg voor het materieele. Het gaat niet vlot genoeg
als men mij wat geld voor mijn werk, al ishet ook nog zoo weinig, moet ik het geven om te kunnen leven. En dat leven is er na "als er geen crediet bestond, waren wij al lang doodgehongerd" schreef ik onlangs aan Willem Oppenoorth die mij vroeg of ik de contributie voor het fonds niet kon voldoen. Gisteren is Kees & Betje hier geweest, om eens te praten of er iets aan te doen zou zijn b.v. om naar Rotterdam te komen, want het slijkt meer en meer dat in Dordt het Kunstleven kwijnt. Enfin dat plan is nog vaag, dus zal ik me nog maar (niet) vermoeien er veel woorden over vuil te maken.
[27 Januari 1904] Als ik vandaag niet een beetje ongesteld was, dan was ik naar de receptie gegeaan ter gelegenheid van de 80ste verjaardag van Josef Israels.
[28 Januari 1904] Gisteren kreeg ik een bezoek van den Heer Hidde Nijland, die mij kwam aan zeggen dat het Museum bestuur genegen om een schilderij van mij te koopen wanneer ze uit eenige stukken een keuze konden doen. het is nu maar te hopen dat het beter vlot als de vorige keer. Het schijnt een eerste gevolg te zijn van stappen die Easton heeft gedaan om te trachten mij eens voor goed uit de cronische geldnood te helpen, waar we nu toch werkelijk onder zouden gaan lijden. Als alles goed gaat, dan zou ik door zijn bemoeingen een kleine sommetje krijgen naar Rotterdam daar een ruim huis huren, een klein pension oprichten om een achtergrond te hebben en mij er de gelegenheid te stellen zonder dr drukkende geldzorgen te kunnen werken. Nu om naar Rotterdam te gaan lijk tmij eenigszins als we gaan wonen aan de rivier.zijde, daar in de stad met zoo naar. En daar zou ik voor mijn arbeidersveld wel motieven vinden ik hoop dus dat dit plan moge slagen.
Gisteren is mijn groote schilderij voor de tentoonstelling in St. Louis, waar ik een uitnoodiging van kreeg, vertrokken, als ik daar eens sucsers had. Het is al mooi dat ik er bij ben,want het is een keuze tentoonstelling. Dus mag ik wel van geluk spreken deze keer.
Ja, als de geldzorgen nog eens wat minder konden worden, dat zou de herfst van ons leven nog een kleurtje krijgen.
Ook al om zoo mogelijke onze finantieele te ver..ken(?) hebben we een huisgenoot, den Heer de Meijier een alleraardigst mensch die in twee weken al net doet of hij al maanden bij ons is. Het is een jongmensch, ingenieur, als alles goed van stapel loopt zullen we hem echter niet lang bij ons houden. Zoo daar we dan weer voor nieuwe banen en is er kans dat ik mijn loopbaan al eindigen daar waar ik hem begonnen ben. En zoo mijn leven volop een cirkel beschrijven.
[1904 Febrari 8] Ik heb aan het museum te Dordrecht een schilderij verkocht van f 600 door bemiddeling van Easton. Voor het overige weet ik niet of dat plan om naar Rotterdam te gaan wel tot uitvoering zal komen. We zien bij nader inzien erg tegen op ons nog in zorgen opnieuw te gaan steken, want het installeren zou zoo veel kosten dat we in de betrekkelijk weinige jaren dat we nog k..(?) medeleven er nooit uit zouden komen. Neen veel meer lijkt om het idee om heel klein ergens te gaan wonen. Er te zeer dat we zamen door mijn schilderen, er als het kan eenige lessen aan de kost komen.
Gisteren hadden wij met Easton en Kuipers een gesprek, een overleg met de beste bedoelingen op touw gezet, dat zoo stuitend voor ons was, dat mijn lieve schat, nadat ze weg waren in tranen uitbarste en zeide dat ze in al onze zorgvolle dagen nog zoo'n naar uur niet had doorgebracht. En ik ben het met haar eens. Ik heb haar gekust op haar betraande oogen tot ze weer ging lachen. En we hebben besloten onder den conditie en ebzwaren liever niet de hulp te aanvaarden.
[1904 Maart 15] Uit heel den narigheid, hierboven neergeschreven is toch nog goeds geboren. Wij hebben ons schrap gezet en gezegd dat wij gaarne hulp aanvaarden, maar wij wenschten te blijven hoe of we onze belangen wilde regelen. De slotsom is dat door bemiddeling van Easton en Kuipers die onze belangen als echt vrienden behartigen om uit de opbrengst van eenige schilderijen, die door hun bemiddeling zijn verkocht, zoolang de voorraad strekt een maand geld wordt uitgekeerd, wat ons is de eerste tijd als we ergens zijn goed te pas zal komen. Maandag zijn we zamen er op uit geweest. Het was verrrukkelijk weer.
En we hebben te Voorburg een erf lief huisje gehuurd, waar we 1 Mei in gaan wonen. Het is een klein huis, dus behoeve we niemand in huis te nemen. We stellen ons natuurlijk van dat nieuwe leven het beste voor. We zijn in kennis gekomen met Mevr. van Thol Ruijsch, een talentvolle schilderes, die in Dordt exposeert. Ook met de familie van den Heer de Meijir, die in den korsten tijd dat hij bij is, een echte vriend geworden is, hebben we kennis gemaakt. Zoodat we in Den Haag vrienden hebben en dat is ook wat waard.
De laatst verloopen dagen waren in Dordt zeer druk. Er was een poppententoonstelling waar ze ook de artiesten een wel bij wilden laren spelen. En daarvoor was ook mijn hulp ingeroepen, dus(?) wilde ik mij ontrekken, maar toen kwam Hendrik Reus mij aanklampen. Ik vind dit een sympathieke man en ik viel door de mand.
We hebben een cabaret artistique opgesteld waar de meest dolle vertooningen hebben plaats gehad, waar veel geld is binnen gekomen, want heel de zaal was ten bate van het Kinderziekenhuis. We hebben vebrazend veel pret gehad. Boonen en ik hebben het heele de..(?) van binnen beschilderd, enfin het was een jolig slot van mijn Dordtsche tijd.
Gisteren is mijn schilderij in het Dordtsche museum in een prachtige lijst opgeteld. En toen ik het daar zoo zag, kon ik haast niet begrijpen dat het mijn werk was. Dat is dunkt mij een goed teeken.
We gaan dus een drukken tijd te gemoet. Ik denk dat ik ni Dordt niet heel veel schilderijen meer maken zal voor mijn vertrekt, maar ga daarginder een nieuw tijdperk te gemoet.
[3 April 1904] Gisteren is den Heer de Meijier vertrokken. Ik weet niet dat ik in de laatste tijd een meer stympathieke mnsch heb aangetroffen dan deze jonge man. Hij is gekomen natuurlijk als een vreemde, maar hij is weg gegaan als een vriend.
De tijd schiet op nog maar drie weken end an gaan we al naar Voorburg. Ik zal dankbaar zijn als we daar rustig zitten, want het gescharrel onder de menschen,, vooral de beslommeringen die het voorzitterschap van het Pictura medebrengt, begint me verschrikkelijk te vervelen: wat wordt alles toch anders al je ouder wordt. Dat was in je jeugd zoo mooi lijkt, eer en roem, bovenaanstaan, dat gaa allen weg. Je merkt te veel dat dat alles maar is de buitenkant. Dingen die ook te bereiken zijn buiten je beste qualiteiten om, het werk alleen dat blijft, wat de mensch er nu of later van zeggen, dat mag toch geen invloed hebben. als het goed is. Nooit zal ik de wezenlijke anarchistische neigingen met me omdraag. Ooit meer gaan Lee...er(?) als bestuur van wat ook.
[24 Mei 1904] Sinds den 19de zitten we nu in Voorburg. het is een mooie stad. En we voelen ons hier al vrij wel thuis. Als nu alles maar wat beter wel vlotten als in Dordt dan is het goed. Enfin daar zullen we maar op hopen.
[18 Juli 1904] Zoo zitten de we dan al meer dan twee maanden in Voorburg, en we zitten er best. Wij maken met ons drieen, want onze Cor, is een echt lid van ons klein gezin, een gezellig clubje. Als we ooit een dienstbode hebben gehad, die heeft mede gewerkt om ons leven te veraangename dan is zij het.
Hoe of het met de finantieele zijde van ons nieuw bestaan zal gaan, daar is nog weinig van te zeggen. maar ik werk hier veel en prettig en we krijgen druk bezoek en bizonde rvan hen die we lief hebben.
Willem Ridderhof is een stuk uit ons vorige leven, maar na zijn huwelijk waren wij hem zoowat kwijtgeraakt. nu wij echter zoo in de buurt wonen, heeft dat aanleiding gegeven tot een verfrissching der vriendschap. Dan vooral ook met zijn Berthe. Wij hebben bij hen en zij een paar keeren bij osn verrukkelijk dagen doorgebracht. Ook de aanstaande vrouw van de Meijir en haar moeder bewijzen ons veel vriendschap. Onlangs zijn we daar een heele dag geweest. En er is een vriendschap ontstaan die zeker niet tijdelijk zal zijn.
Van de Dordtsche vrienden, die zich zoo verbazend veel moeite hebben gegeven om hun hartelijkheid te toonen voor ons heengaan merken we nu niet zoo veel.
Een van de meest belangrijke kennismakingen die we hier hebben gemaakt, is die met Charles van Wijk [Charles Henri Marie van Wijk (1875-1917)], wie had gedacht dat wij de dochter van Jacob Maris nog in ons huis zoude hebben. Zij hadden ons een bezoek gebracht, daarna zijn we daar thee wezen drinken. Heerlijk gepraat.
Ik zou haast zeggen, heilige dingen gezien, teekeningen van haar vader uit zijn jeugd, schetsboekjes, echte religieen, waar reeds een knappe artiest uit spreekt. Het was een hoog genot uit den mond van den dochter de intieme dingen te hooren, van den groote man, voor wien ik een zoo bezondere vereering heb.
Gisteren kwam zij ons bezoeken, daar zij voor eengie tijd er uit trekken. Of het een meer intieme vriendschap zal geven, dat is niet te zeggen. Zij staan midden in het kunstenaarsleven, wij zitten op den rand, zij zijn jong, wij oud. Wij kunnen het dus nietuitlokken, hoe gaarne of we het zouden willen. Meer dan ooit veel te bereiken. Want al heb ik nu en dan een vleugje van eenig sucses, om naam te maken is de tijd die ik nog voor den boeg heb te kort. Riesing zei onlangs toen hij een schilderij van me zag dat hij mooi vond "jammer dat jij het hebt gemaakt anders verkocht ik het wel"; dat is kenschetsens. Maar toch maar moes houden. Hoe of het nog eens met ons zal afloopen daar is weinig van te zeggen, tot op heden zijn we nog vrolijk en opgeruimd. Maar als ik niet een klein neetje meer verkoop van mijn werk dan zal toch het einde niet schitterend zijn. Dan zou het wel eens heelemaal na..(?) kunnen worden.
[30 Juli 1904] Vandaag komt Marie Ridderhof met haar Hein bij ons. Dat is een prettig wederzien. Want nu we Dordt uit zijn trekken ons de oduste vrienden het meest.
Toen we onlangs Marie Duvanel bij ons hadden dat was zoo heerlijk, dat zijn zoo van den stukken die met je leven zijn saamgegroeid. Het pleegzuster costuum staat haar opperbest. He, wat jammer dat we geen piano hebben. Wat zouden we dan vandaag genieten.
Op het oogenblik hebben we tot 4 Augustus een ziek kind te logeeren, die dakloos was waarom of ik dat nu opschrijf weet ik zelf niet. Zeker om mijn nakomelingen te laten zien, watte goeie mensch of we zijn. maar het is te genoegen van de familie Sijleman, dat we het deden, wat zijn dat lieve menschen. Wij hadden een kaal tuintje en door hun toedoen staat hij nu vol met heesters en planten. We hebben een verrukkelijke huisje, en dat bij deze zomer. Zoo bizonder mooi het is een verrukking. Mijn lief wijf geniet eens zoo van en ik niet minder van leven hier wel(?) buiten.
[15 September 1904] Een heele maand zijn we van huis geweest. En Zaturdag komt Lien pas terug. Eerst zijn we tien dagen te Harlingen geweest bij Marie en Hein, wat hebben we daar verrukkelijke dagen doorgebracht. Marie is nog altijd dezelfde levenlustige deern van vroeger. En Hein een modelman een leif kind is de bloem uit deze gelukkige vereeniging. Heerlijk hebben we genoten van haar spel, dat nog steeds vooruit gaat, een mooie muziekavond hadden ze met van Zutfen, de Harlingsche musicus. Een paar sonates van Beethoven heeft gespeeld. Hein had op de zolder een atelier voor me geimproviseerd waar ik prettig heb gewerkt. We hebben veel gewandeld met met aardige lui kennis gemaakt. Harlingen is heelmooi, zoo vlak aan zee. Komen de groote stoomers de haven binne zetten. Het is een tocht die we zeker, als er geen beletselen zijn, het volgend jaar zullen hehralen. Wat gelukkig dit we zamen nog zoo echt van dat alles kunnen genieten. Want mijn Caro is nog precies een jonge mensch. Dat is een geluk dat tegen al het andere opweegt. Want als je menschen ziet, die alles hebben wat hun verlangt, en die niet weten waar ze hun geluk moeten vinden, dan kom je tot overtuiging dat de natuur zijn gang gaat, dat het een het andere volgt. En per slot van rekening de rijken niet gelukkiger zijn dan de armen.
Een middag zijn we te Franeker geweest bij Helena Hibma [Helena Johanna Hendrika RIDDERHOF, geb. Zierikzee 28-10-1868, tr. Leiden 2-3-1893 Pieter Atkes HIBMA, geb. Sexbierum 12-3-1869, Hoofd openbare Jongensschool, overl. Leiden 21-6-1954, zn. van Atte Jonkes Hibma en Fettje Pieter Koopman(s)], een sprookje is de indruk die ik daar van gehouden heb. Het was een heerlijke middag. De zon scheen op al de mooie grachten en op het heerlijk stadhuis en toen het avond werd, kwam er iets geheimzinnig neerdalen over alles. Toen naar het huis van den onderwijzer, waar een aangerechts tafel, eenvoudig maar rein met vruchten uit eigen tuin ons wachten. Een engelrein kind van 11 jaar is hun schat. We speelde s'avonds op het grasveld als kinderen en toen wij de terugreis namen en Franeker passeerde, stond Helena met haar dochtertje [Fetje Helena Hibma, geb. Weststellingwerf 11-7- 1902, dochter van Pieter Hibma en Helena Johanna Hendrika Ridderhof] aan het station met een mandje heerlijke appelen uit hun tuin.
Toen zij we drie dagen naar Rotterdam geweest, waar we genoten hebben van de hartelijkheid van de Schrijvers, heerlijke menschen! En van daar naar Werkendam. 14 dagen zijn we daar gebleven. Alhoewel ons plan was maar acht dagen te blijven. Anna is zenuwziek en heeft nehoefte aan gezelschap. Het was mooi weer, heerlijke luchten alle dagen. Ik heb er nog al gewerkt. Zoodat ik de tijd ook daar goed besteed heb. En nu benik toch weer blij dat ik in mijn eigen huisje zit.
Morgen en Vrijdag ga ik naar Amsterdam om eens te zien of ik zaken kan dooen. Zaturdag komt Lien thuis en dan zijn we weer lekker bijelkaar.
[13 October 1904] Twee huwelijskfeesten hebben we meegemaakt,bij de Meijier, een l.l. Zondag bij v.d. Water in Corcum. Schitterend. Maar in beiden gelegenheden hebben we veel schik gehad. Het is verbazend zulke intieme vrienden of wij inzoo korte tijd met Toos & Jo geworden zijn.
Mevrouw Dijkman bepaalde zich tot het geven van dejeuner. Maar uiterst in de puntjes daar was enkel de familie gevraagd.. en wij!
Bij van de Water onze Gorcumsche vrienden van jaren terug was de thermometer door je weet zelf niet welke omstandigheden eenigszins gezakt, eigenlijk door onze schuld maar nadat ze ons uitnoodigde tot het huwelijksfeest en wij dathebben bijgewoond, is het ding gerezen. Het was een mooi feest.
Bijna allemaal gast, die wat in de melk te trokken hadden wat talent sche..ft(?). Ik ontmoette er Tonen Offemans en Simon Maris als schilders en verder was de muziek de wetenschap, alles vertegenwoordigd. En de toon was echt gezellig. Onze Marie is thans de vrouw van Jan v.d. Hoeven Leonard en gaat te Utrecht wonen. Zoo zal dus Utrecht ons aanstaande zomer wel een binnen zijn veste zien. [Jan van der Hoeven Leonhard, geb. Amsterdam 1872 (32 in 1904), zoonv an Klaas Hendrik Leonhard en Christina Johanna Agneta van der Hoeven, tr. Gorinchem 11-10-1904 Maria Hendrika van de Water, geb. Breda (31 in 1904), dochter van Cornelis Adrianus van de Water en Maria Elisabeth Gräfing]
[zie hierachter]

Laatst gewijzigd: augustus 2008.