Aanmelden | Contact
Zoeken

Dordrecht: Koninklijke onderscheidingen Dordtenaren 1903-1940(1946-1949/1953/1960/1971)


Bron: Regionaal Archief Dordrecht (was Erfgoedcentrum DiEP)
Toegang: 8A1945 en 8A1960
Inventarisnummers:
8A1945-3132 (over 1903-1919); 8A1945-3133/3134/3135 (a t/m z); 8A1945-3136 (a t/m z); 8A1945-3142 + 3143 + 3144 + 3145 (over 1930-1940);
8A1960-2285 (over 1946); 8A1960-2286 (over 1947); 8A1960-2287 (over 1948); 8A1960-2288 (over 1949); 8A1960-2292 (over 1953); 8A1960-2306 (over 1960 A-L); 8A1960-2307 (over 1960 K-R); 8A1960-2308 (over 1960 S-Z); 8A1980-2708 (over 1971 A-F); 8A1980-2709 (over 1971 G-K); 8A1980-2710 (over 1971 L-R) 8A1980-2711 (over 1971 S-Z);
;

(transcriptie E. van Dooremalen)(scans verkrijgbaar)


Koninklijke onderscheidingen 1903-1940(1949)

G.C. Buttingha-Wichers


Geboren: -
Wonende: -
Functie: directrice Vereniging Ziekenverpleging
Onderscheiding: -
Uitreiking: -

Aanmerkingen:
- (1 april 1937) Ondergetekenden, Mevrouw R. de Roo van Westmaas-geb. Baronesse Dirckinck of Holmfeld, Huize Amstelwijck, Dubbeldam en J. Noordermeer, Weverseinde 2, Puettershoek, Presidente en Secretaris van het Huldigings-Comité tot herdenking van het 60-jarig bestaan der Vereeniging tot Ziekenverpleging te Dordrecht, bieden U hierbij een artikel aan, de geschiedenis der vereeniging beteffrende. Zeer beleefd veroorloven zij zich de vrijheid U te verzoeken bij gelegenheid van dit diamanten jubileum te willen overwegen, of hier redenen aanwezig zijn, bij Hare Majesteit een voordracht in te dienen, opdat het haar behage, het zegenrijke werk der vereeniging met een Koninklijke onderscheiding te bekronen welke onderscheiding zij mede gaarne zagen verleend aan de Directrice mevrouw G. van Buttingha Wichers.
Met verschuldigde eerbied, R. de Roo vvan Westmaas bar. Dirckinck of Holmfeld, J. Noordermeer.
- (Zij, Maandblad voor de vrouw; pag. 1 t/m 4)
SOCIOLOGIE.
PRO UTILATE HOMINUM
.
Bij de herdenking van het 60-jarig bestaan van de Vereeniging voor Ziekenverpleging te Dordrecht.
Naar 't Ziekenhuis. Welk een stroom van gedachten welt er er in ons op, bij die woorden. Slingerend tusschen vrees en hoop hadden wijde uitspraak verwacht, al vertrouwden we op de mogelijkheid, dat er nog een ander redmiddel zou zijn. Want, wat ging er met ons gebeuren? 't Was niet de twijfel aan de wetenschap, welke eenige oogenblikken de beslissing vertraagde, maar een opzien tegen het afleggen van rekenschap van ons gestel, een onderzoek van ons, met ons en toch ... zonder ons. We waren overtuigd gaaf te zijn en hadden volgehouden dit te wezen, ook teon we ons niet in orde gevoelden. Met wat drankjes zou het wel weer gaan, ze hadden echter niet geholpen. En hoe zou de deskundige uitslag luiden? Bij oogenblikken leek alles even donker, als de kamer voor het doorlichten en even benauwend als de verdoovende ether. Echter, er bleef geen andere weg; ondanks de pijnen, troffen we nog de noodzakelijk schijnende maatregelen, - en gingen. En vóór we 't goed beseften, lagen we al in de rustige sfeer van de ziekenkamer.
"Naar 't Ziekenhuis". Welk een tijd van spanning lag er voor de familie in opgesloten. De zorgvolle verpleging had niet gebaat en na die uitspraak de haastige schikkingen voor de opneming, vermengd met de angst voor den afloop, het afscheid, de opgewondenheid vóór de ontvangst van de eerste berichten, het popelend wachten op het uur van het bezoek, het weer noode afscheid nemen...
 "Naar 't Ziekenhuis", woorden, welke vaak voor den huisarts niet alleen medische beteekenis hadden. Na rijp beraad bleek het ziekehuis de eenige oplossing, en meelevend in de omstandigheden van het gezin, zocht hij naar den vorm, waarin hij zijn besluit zou mededeelen, om niet de waarheid bloot te geven, voor het geval zijn diagnose later juist zou blijken. De ervaring had hem geleerd, dat een opneming niet altijd het einde maar vaak ook het begin kon zijn van een langdurige nabehandeling thuis.
Daar lagen we dan, langzaam terugkeerend tot de werkelijkheid, roepend om de zuster, die wonderen verrichtte door haar handigheid, haar kalmte, haar bemoedigende woorden. Haar aanwezigheid bracht onze vele gedachten tot rust en zij was onze steun in de moeilijke dagen. Hoe wenden we aan één, die ons in de eerste dagen hielp en wat zagen we er tegen op, als er een vervangster kwam, alsof deze het niet zoo goed zou kunnen.
Teveel waren we van ons zelf vervuld, we leden te zeer, om den dokter te begrijpen, die van zijn kant al het mogelijke deed om ons geestelijk en lichamelijk weder tot het leven terug te brengen.
En geleidelijk dreef door weldadig slapen de zwarte wolk weg. Het regelmatig "temperaturen" en wasschen onder opgewekt gekeuvel, het schikken van de bloemen en vruchten op het nachtkastje, het vriendelijk blijven aandringen toch wat te gebruiken, het belangstellend informeeren door de hoofdzuster, de dagelijksche rondgang van de directrice, die de post meebracht, wekten weldadig: onze gedachten bleven niet langer gevangen tusschen de muren van onze kamer; weldra trachtten we ook de geluiden op de gang te begrijpen en waagden we de poging onze correspondentie te beantwoorden.
Als de dag van het naar huis gaan aangebroken was, dan pas waardeerden we, wat het ziekenhuis voor ons geweest was. In onze vreugde genezen te mogen vertrekken was groote dank vermengd voor alle ondervonden zorg en liefde.
* * *
Vóór zestig jaren was het met de ziekenverpleging nog lang geen rozengeur en maneschijn; voor een leek is het haast onbegrijpelijk, dat toentertijd op dat gebied toestanden heerschten, welke nu ongelooflijk schijnen. Den belangstellenden lezer verwijzen wij naar: C.H. Vernèdes "Geschiedenis der Ziekenverpleging" en mede in verband met het volgende naar: "Nederlandsch Tijdschrift voor Geneeskunde, 1899: Ziekenverpleging en de zorg voor de Openbare Gezondheid in de laatste 50 jaren".
Eigenlijk lag een groot gedeelte van het terrein van de verpleging nog braak. Zeker, reeds werd loffelijk werk verricht door Katholieke broeders en zusters en Protestantsche diaconessen, maar hoe langer hoe meer werd de behoefte gevoeld, voor de aanwending van nieuwe geneesmethoden, de beschikking te krijgen over geschoold verplegend personeel: men had zich b.v. in Amsterdam ook met lieden uit Veenhuizen moeten tevreden stellen. Maar bovendien werd in de kringer der meer-gegoeden de verlangens sterker naar de mogelijkheden om de beschikking te hebben over degelijk onderlegden voor verpleging thuis of in een ziekenhuis.
Het spreekt vanzelf, dat ook hier groote weerstanden te overwinnen waren en dat met taaie volharding gewerkt moest worden om verbetering te krijgen. De namen van den heer en mevrouw Berns, Jonkvr. Jeltje de Bosch Kemper en Anna Reynvaan, om slechts enkelen te noemen, staan dan ook met gulden letters in de geschiedenis der Nederlandsche Ziekenverpleging vermeld.
Aan de Commissie voor de opleiding van Ziekenverpleegsters, uitgaande van de Noordhollandsche Vereeniging Het Witte kruis, komt de verdienste toe den stoot te hebben gegeven tot een grondige wijziging. Onder leiding van Prof. Gunning verdedigde zij de stelling, dat de ziekenverpleging, naast een liefdewerk in Christelijken zin, ook een eervol maatschappelijk beroep kon worden, betaald door hen, die verpleegd werden, de behoeftigen uitgesloten. Zij slaagde er in zich van de medewerking van beschaafde vrouwen te verzekeren. Want de prijzenswaardige pogingen de verpleging op te heffen uit haar armzaligen toestand, vonden haar steun in de opkomende Vrouwenbeweging welke naar maatschappelijke onafhankelijkheid streefde.
In 1879 werden de drie eerste diploma's uitgereikt. Twintig jaar later telde men 800 gediplomeerden. We durven niet gissen, hoe groot dit getal heden is nu zelfs in het kleinste dorp een verpleegster als wijkzuster aangetroffen wordt.
In wezen hing de verbetering in de verpleging ten nauwste samen met de belangstelling voor de zorg der openbare gezondheid in het algemeen, welke leidde tot enkele geneeskundige wetten of gemeentelijke voorzieningen.
We zullen niet ingaan op de verdere ontwikkeling: de zegenrijke arbeid van het Kruiswerk ligt buiten dit bestek; alleen dienst een leek wel in het oog te houden, dat er geen scheiding te maken is tusschen het verplegend personeel thuis en dat in een inrichting, want allicht ziet hij de wijkverpleging en het ziekenhuis als twee afzonderlijke lichamen; toch zijn ze beiden één, steunend op hetzelfde beginsel en gediend door personen met dezelfde bevoegdheden, al zijn daarin natuurlijk graden.
* * *
Met het voorbeeld van andere steden voor oogen werd ook te Dordrecht in 1877 een Vereeniging voor Ziekenverpleging opgericht; haar doel was utizending van verpleegsters in en buiten de stad. De eerste jaren van het bestaan schijnen een worsteling geweest te zijn voor haar levensvatbaarheid, want pas 8 jaar later wordt de jaarlijksche contributie geind en verschijnt een jaarverslag. in 1885 zou een proef genomen worden met één zuster, doch in dne loop van dat jaar waren er 7, met 27 uitzendingen, 17 in en 10 buiten de stad. Aan verpleeggeld werd f 1023 ontvangen en aan contributie f 352. Twee jaar later verkreeg de vereeniging rechtspersoonlijkheid. Al spoedig maakten de hooge kosten van huisvesting der zusters het gewenscht hierop te bezuinigen; door haar samen te brengen in ene bovenhuis in de Wijnstraat 34, onder leiding van mej. A. Scholl van Egmond als Directrice. Dit huis ontving den naam van pleegzusterhuis en werd 2 Januari 1888 betrokken. Onder de geldelijke bijdragen waren giften van de Vereeniging tot Bevordering der Volksgezondheid en van het Roode Kruis.
In 1889 werd voor het eerst de gelegenheid opengesteld tot opneming van patiënten; men had toen twee kamers beschikbaar. Als bewijs van welwillend aandenken werd dagelijks de N.R. Courant en tweemaal per week een lesportefeuille ontvangen: het begin van van een bibliotheek. Het jaar 1890 vermeldde 106 verpleegdagen. Elke drie maanden werd, boven de salarissen, 1/10 deel der verpleeggelden onder de zusters verdeeld en een gedeelte afgezonderd voor het begin van een Reservefonds, waaruit zusters, die in dienst der vereeniging bleven, maar later door ouderdom ongeschikt werden, 'n toelage kondne krijgen.
Het bleef gewenscht meer kamers beschikbaar te stellen voor personen, die een operatie of een afzonderingskuur moesten ondergaan, waarbij iedere patient door zijn eigen geneesheer zou kunnen worden verpleegd. Dr. J.A. Delhez en mevrouw P. Stoop van Zwijndrecht-Boonen, wier initiatief tot de oprichting van de vereeniging had geleid, bleken dus in ene behoefte te hebben voorzien.
Dat de Vereeniging zich in die jaren ook in dienst stelde van de belangelooze naastenliefde blijkt uit de mededeeling, dat in 1891 een aanvang gemaakt werd met kostelooze armenverpleging. Bovendien werden in den winter voor behoeftige zieken 2 maal 's weeks porties soep beschikbaar gesteld tegen een kleine vergoeding, welk aantal in 1892 tot 1102 steeg. En op kerstmis 1894 werden 35 stuks door de zusters genaaide kleeren uitgereikt.
De ruimte werd te klein en op 1 mei 1892 werd het ruime heerenhuis met tuin, hoek Wijnstraat-Gravenstraat, gehuurd voor den tijd van drie jaren.
In die jaren begon men te klagen over het gebrek aan plichtsbesef en dienende liefde onder de zusters; ze dachten er met een diploma te zijn! Nu was dat euvel geen uitzondering, want een bestuurslid had tien buitenlandsche inrichtingen bezocht, waar dezelfde droeve klacht vernomen werd. Het jaarverslag noemde dit: De geest des tijds neemt ook op dit gebied hand over hand toe. Helaas ontbreekt ons de gelegenheid dezen tijdgeest nader te bestudeeren en weer te geven.
Deze moeilijkheden werden nog vermeerderd door een geschil over de mate en verantwoordelijkheid tusschen het Bestuur en de Directie, met het gevolg, dat de verpleesterswerkzaamheden drie maanden stil stonden. Aan hinderpalen heeft het niet ontbroken!
Gelukkig werd de wagen weer in het goede spoor geleid en vonden we in 1892 een eerste opgave van het aantal patienten: 1ste klas,2; 2de klas, 7; 3de klas, 6. Bovendien boden twee genesheren aan om gratis een cursus te geven voor opleiding, ook voor kraamverpleging. Er braken voor de Vereeniging een rij van gunstige jaren aan. Het huis werd te klein om steeds te kunnen voldoen aan de aanvragen voor opneming; er kwam behoefte aan een ruime inrichting. Als redenen werden opgegeven een zeker opzien - om welke redne dan ook - tegen een verpleging in het Stads-Ziekenhuis, het zich vestigen van meer specialisten op medisch en chirurgisch gebied, die op vernieuwing aandrongen, en het verlangen van de patienten om door de doctoren hunner keus behandeld te worden. Er vond een bijeenkomst plaats van leden der Vereeniging met vertegenwoordigers van het Dordtsche publiek ide een commissie vormden, bestaande uit 2 leden van het Bestuur en 3 leden der burgerij. Men trok aan den arbeid en vond in 1901 het noodige geld. Een klein tekort van de bouwcommissie werd gedekt door het Roode Kruis. in de Wilhelminastraat verrees een nieuw ziekenhuis, dat in het eerste jaar 69 patienten had met 1242 verpleegdagen. Elf jaar later kon men door een belangrijk legaat van dne heer F. Stoop een stuk grond naast het gebouw aankoopen. De toestand bleef in die jaren gusntig; ook dit huis werd te klein.
Een zeer gewichtig jaar was 1914.
De familie Stoop deelde toen n.l. mede, dat zij de nagedachtenis van den heer F. Stoop wilde eeren, door een nieuw gebouw te stichten, indien de Vereeniging den grond aankocht; deze werd van de gemeente tegen een billijken prijs verkregen. Als bouwmeester erd de architect Ed. Cuypers aangezocht. Een bronzen gedenkplaat in de vestubule herinnert ons deze schenking. Over het nieuwe ziekenhuis op zijn tegenwoordige plaats was men vol lof.
De mobilisatie-jaren waren begonnen en om op alles voorbereid te zijn, stelde toenmalige directrice zich beshcikbaar voor oefening en leiding van een transportcolonne voor eventueel vervoer van gewonde militairen naar de ziekenhuizen. Door de hooge prijzen der levensmiddelen en steenkolen liepen de geldmiddelen steeds meer terug; 'n reeks van moeilijke jaren brak aan, doch gelukkig sprong de familie Stoop telkens bij. Maar in 1926 moest er door Jhr. Stoop een beroep gedaan worden op de burgerij, om bij te dragen aan een fonds voor de instandhouding der ziekenverpleging: haar voortbestaan stond er bij op 't spel. Hoe warm men voor de stichting voelde, bleek wel uit het feit, dat heel spoedig het noodige geld bijeen was. Geen wonder, dat het 50-jarige bestaan in eenvoud werd herdacht. Sinds gaat het onder de ernergieke leiding van de huidige directrice die sinds 1923 de leiding heeft, steeds voortui: het 60ste jaarverslag vermeldt 738 patienten met 11.550 verpleegdagen.
In 1928 werd de Vereeniging geplaatst op de lijst der officieel erkende inrichtingen; in 1934 vond de stichting plaats van het pensioenfonds voor de zusters. Opnieuw bleek het huis te klein en werden plannen voor een uitbreiding met 22 bedden gemaakt. De feestelijke opening hiervan gebeurde op 23 Febr. 1935. En in 1936 werd de administratie van den bloedtransfusiedienst bij de Vereeniging ondergebracht. Tevens werd in een langgevoelde behoefte voorzien door inrichting van een laboratorium en aanstelling van een laborante.
* * *
Ziedaar in groote trekken het wel en wee van de jubileerende vereeniging. Er zou nog veel aan toe te voegen zijn: een lange lijst van bestuursleden en doctoren, één van legaten, maar ook één van simpeler bijdragen in natura.
Dordtsche families, welke dit alles van nabij gevolgd hebben, zullen onder het lezen allerlei herinneringen in zich voelen oprijzen. Maar elk oud-patient, die ver af staat van de interne aangelegenheden, zal op zijn beurt de goede zorgen gedenken. En wij zullen ons weer even verplaatst voelen in het vriendelijke ziekenhuis aan de Bankastraat, onder de krachtige, liefdevolle leiding van de directrice, die nooit zal verzuimen om 's morgens aan ieder ziekbed een woord van opbeuring en medeleven te spreken, bijgestaan door de hoofdzuster, die in dezen tijd herdacht 12 1/2 jaar in de stichting te zijn. Zonder deze twee kunnen we ons het huis moeilijk voorstellen. We zullen de beschaafde en opgewekte zusters voor onzen geest trekken, het hoofd van de huishouding, de portierster, de dienstmeisjes, het manusje-van-alles, Van der Heiden, nog weet te troosten met "Het is hier goed".
Als we dan gaan gelukwenschen, waar te beginnen? Laten we den weg volgen, zooals de geschiedenis dien aangeeft. Wenschen we dan het Bestuur en de Doctoren geluk met den gestadigen bloei van het Huis en laten de Directrice en de Hoofdzuster en verder ieder van het personeel, van hoog tot laag - ook zij, die vroeger hier werkzaam waren overtuigd zijn van onze diepe bewondering en bijzondere erkentelijkheid. Van uw werk - Pro Utilate Hominum (tot heil der menschheid) - hebt gij alle eer. En prijzen de Dordtsche burgerij, en die der randgemeenten, zich gelukkig met deze Stichting. moge het der Vereeniging vergund zijn tot in lengte van jaren haar arbeid voort te zetten!
* * *
Bij het vernemen van het feit dat het 60-jarig bestaan aanstaande is, is bij enkele oud-patiënten de gedachte gevormd dit feit niet onopgemerkt te laten voorbijgaan. Zij voelen zich gedrongen bij deze gelegenheid uiting te geven aan hun hartelijke toegenegenheid en hun oprechten dank. Het Bestuur stelde de uitvoering van dit denkbeeld zeer op prijs. Met het doel hieraan vorm te geven, werd onder leiding van mevrouw R. de Roo van Westmaas een voorlopig plan opgezet. Men zal trachten geld in te zamelen. Dit wil men met bussen doen ten einde iedereen in de gelegenheid te stellen bij te dragen, hoe gering ook. Maar van velen weet men het tegenwoordig adres niet meer. Hen verwijzen wij naar het girnummer van Jonkheer H.W. Stoop te Dordrecht, 1662, met vermelding van: Voor het Jubileunfonds. Het voornemen is de opbrengst aan te bieden voor het Pensioenfonds der Zusters, een zaak, welke de Directrice zoo ter harte gaat. We twijfelen niet aan het succes, want hier wil niemand achterblijven. Tevens zal er op een receptie gelegenheid wezen, zijn gelukwenschen aan te beiden, waarvan velen gaarne gebruik zullen maken. Moge die dag een schoone worden in het bestaan der Vereeniging!
J. NOORDERMEER
Puttershoek, Maart '37.
- (Dordrecht 9 Februari 1948) Bij deze heb ik de eer Uhoogedelgestrenge aan te bieden een aan H.M. de Koningin gericht verzoekschrift van de heer H. van Gijn en Mevrouw G.M.H. van der Houwen-van Dijk, respectievelijk voorzitter en secretaresse der Vereniging tot Ziekenverpleging te Dordrecht, waarin aan H.M. wordt gevraagd een Koninklijke onderscheiding toe te kennen aan Jonkvrouwe G.C. van Buttingha Wichers, directrice der Ziekenverpleging, ter gelegenheid van haar 25-jarig dienstverband aan deze instelling.
Ik kan mij met de inhoud van het verzoekschrift in alle opzichten verenigen en verzoek U daarom beleefd betrokkene te willen voordragen voor benoeming tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Ik teken hierbij nog aan, dat op de houding en het gedrag van Jonkvrouwe van Buttingha Wichers gedurende de bezetting geen aanmerking is te maken. De Burgemeester van Dordrecht (get.) Bleeker.


(bron: Erfgoedcentrum DiEP/Stadsarchief Dordrecht 8A1945-3142 (over 1930-1940))
(bron: Erfgoedcentrum DiEP/Stadsarchief Dordrecht 8A1960-2287 (over 1948))

Laatst gewijzigd: oktober/november 2009, maart 2020.